Kartels

Mededingingsbeperkende overeenkomsten

De BMA vervolgt overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Belgische betrokken markt of op een wezenlijk deel ervan merkbaar wordt verhinderd, beperkt of vervalst.

Deze restrictieve praktijken zijn verboden bij artikel IV.1, §1 van het Wetboek van economisch recht (art. IV.1, §1 WER), en bij artikel 101 van het VWEU voor zover zij ook de handel tussen Lidstaten kunnen beïnvloeden.

Een verboden overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging tussen ondernemingen kan bijvoorbeeld betrekking hebben op prijsafspraken, productiebeperkingen, het uitsluiten van een nieuwkomer of het onderling verdelen van markten of klanten. In plaats van met elkaar te concurreren en nieuwe klanten aan te trekken op basis van hun verdiensten, voeren ondernemingen die deelnemen aan een kartel een gezamenlijk afgesproken strategie uit, waardoor de prikkel afneemt om nieuwe of betere producten en diensten te ontwikkelen en/of hun producten of diensten tegen competitieve prijzen aan te bieden. Uiteindelijk betaalt de klant meer (en/of krijgt een product of dienst van mindere kwaliteit) dan wanneer de restrictieve mededingingspraktijk niet had bestaan.

In de richtsnoeren van de Europese Commissie staan de beginselen uitgelegd voor de beoordeling van horizontale en verticale samenwerkingsovereenkomsten ten aanzien van artikel 101 van het VWEU. Artikel IV.1 WER is inhoudelijk identiek aan dat artikel. De BMA past deze richtsnoeren dan ook toe naar analogie.

Het clementieprogramma

Afspraken zijn meestal geheim en bewijzen moeilijk te vinden. Het clementieprogramma moedigt ondernemingen aan om kartels aan te geven bij de BMA, wat de kartels destabiliseert en de doeltreffendheid van de werking van de BMA verhoogt. Het biedt ondernemingen of ondernemingsverenigingen die samenwerken met de BMA in de strijd tegen kartels de kans om volledig of gedeeltelijk vrijgesteld te worden van geldboeten opgelegd door het Mededingingscollege of, in het geval van een transactie, door het Auditoraat.

Artikel IV.54 WER en de Clementierichtsnoeren van de Belgische Mededingingsautoriteit bepalen de voorwaarden waaraan deze ondernemingen of ondernemersverenigingen moeten voldoen om te kunnen genieten van clementie.

De volgende rubrieken beschrijven het clementieprogramma uitvoeriger:

application/pdf Clementierichtsnoeren van de Belgische Mededingingsautoriteit (PDF, 336.8 KB)

 

Verzoek om voorlopige maatregelen

Ondernemingen waarvan de belangen aangetast worden door restrictieve mededingingspraktijken kunnen aan het Mededingingscollege vragen om voorlopige maatregelen te nemen om dergelijke praktijken te schorsen als het dringend is om een toestand te vermijden die een ernstig, onmiddellijk en moeilijk herstelbaar nadeel kan veroorzaken voor de ondernemingen waarvan de belangen worden aangetast door deze praktijken of die schadelijk kan zijn voor het algemeen economisch belang (art. IV.71, §1 WER).

Verzoeken om voorlopige maatregelen kunnen bij de voorzitter worden ingediend door de klager, de auditeur-generaal, de Minister of de Minister bevoegd voor de betrokken sector. De klager moet tegelijk ook een klacht ten gronde indienen bij het Auditoraat voor dezelfde feiten.

De voorzitter stelt het Mededingingscollege samen dat over het verzoek zal beslissen en legt de hoorzitting vast binnen één maand na de indiening van het verzoek om voorlopige maatregelen (de termijn kan eventueel nog worden verlengd met maximaal twee weken).

De auditeur-generaal, of de auditeur indien de auditeur-generaal niet de verzoeker is, ieder derde die een voldoende belang doet blijken en gevraagd heeft om gehoord te worden door het Mededingingscollege, alsmede iedere derde die het Mededingingscollege wenst te horen, dienen eventuele schriftelijke opmerkingen uiterlijk zes werkdagen voor de hoorzitting in.

Op de hoorzitting hoort het Mededingingscollege de verzoeker en de verweerder. Op hun verzoek hoort hij eveneens de auditeur-generaal, de auditeur, de directeur economische zaken, de directeur juridische zaken en de derden die een voldoende belang doen blijken.

Het Mededingingscollege formuleert een met redenen omklede beslissing binnen een termijn van één maand na de hoorzitting. De termijn kan eventueel nog worden verlengd met maximaal twee weken. Bij ontstentenis van een beslissing binnen de termijn wordt het verzoek om voorlopige maatregelen geacht verworpen te zijn.

In het schema van de voorlopige maatregelen zijn de verschillende fasen van de procedure weergegeven:

application/pdf Schema van de voorlopige maatregelen (PDF, 105.88 KB)

Onderzoek en beslissing

Onderzoek en huiszoekingen

De onderzoeksdossiers worden geopend door de auditeur-generaal, rekening houdend met de prioriteiten van de Autoriteit, na de Directeur economische zaken gehoord te hebben.

Binnen de BMA worden de onderzoeken uitgevoerd door het Auditoraat, onder leiding van de auditeur-generaal. Voor elk geopend onderzoeksdossier wordt een team van personeelsleden van het Auditoraat aangewezen en onder leiding van een auditeur geplaatst die met de dagelijkse leiding van het onderzoek wordt belast.

De personeelsleden van de BMA zijn bevoegd om huiszoekingen te doen mits voorafgaande machtiging van een onderzoeksrechter in de Nederlandstalige/Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Binnen het kader van hun opdracht hebben zij toegang tot de lokalen, de transportmiddelen van het bedrijf en andere plaatsen van de onderneming en tot de woning van de bedrijfsleider en andere personen waar zij redelijkerwijze vermoeden gegevens te kunnen vinden en waarvan zij kopie mogen nemen.  Zij mogen medewerkers van het bedrijf ook ondervragen over feiten en documenten met betrekking tot de opdracht.

In de richtsnoeren staan de huiszoekingsprocedures uitvoeriger beschreven:
application/pdf Richtsnoeren van de Belgische Mededingingsautoriteit betreffende de huiszoekingsprocedure (PDF, 422.31 KB)

Schikking

In de loop van een onderzoek (maar voor de indiening van het ontwerp van beslissing) kan de auditeur-generaal de partijen vragen of zij bereid zijn schikkingsgesprekken te voeren.   Als het antwoord positief is, kan de auditeur-generaal een schikkingsprocedure openen ten aanzien van hen. De auditeur identificeert de weerhouden grieven en verleent de partijen toegang tot alle niet-vertrouwelijke versies van de documenten en gegevens waarnaar hij verwijst of voornemens is te verwijzen in zijn grieven.

Tevens geeft de auditeur kennis van de mogelijke geldboete die hij overweegt voor te stellen aan het Mededingingscollege.

Om tot een schikking te komen moet de onderneming of de ondernemingsvereniging haar betrokkenheid bij de inbreuk  en haar aansprakelijkheid daarvoor erkennen en de voorgenomen boete aanvaarden. Het Auditoraat kan dan een vermindering van 10% van de geldboete toekennen.

De schikkingsbeslissing van de auditeur geldt als een beslissing van het Mededingingscollege (artikel IV.59 WER).

Beslissing van het Mededingingscollege

Eens het onderzoek is afgerond (en behoudens een schikking), waarbij eventueel toezeggingen worden aangeboden, legt de auditeur een voorstel van beslissing neer bij het Mededingingscollege. Hij bezorgt eveneens een kopie aan de ondernemingen en natuurlijke personen op wie het onderzoek betrekking heeft. Zodra zij toegang hebben gekregen tot het dossier beschikken de partijen over een (verlengbare) termijn van één maand om hun schriftelijke opmerkingen neer te leggen.

Vervolgens belegt de voorzitter van het Mededingingscollege een zitting binnen de twee maanden na het sluiten van de schriftelijke procedure.

Op de zitting hoort het Mededingingscollege de auditeur-generaal en/of de auditeur en de ondernemingen en natuurlijke personen op wie het onderzoek betrekking heeft, evenals de klager en belanghebbende derden indien zij gehoord wensen te worden. Op hun verzoek hoort het Mededingingscollege ook de Minister van economie, de directeur economische zaken en de Directeur juridische zaken. De betrokken partijen kunnen toezeggingen aanbieden om tegemoet te komen aan de bezorgdheden van het College.

Met uitzondering van specifieke gevallen kan het Mededingingscollege:

  • verklaren dat, op grond van de gegevens die het College bekend zijn, er geen reden bestaat om op te treden;
  • vaststellen dat er een restrictieve mededingingspraktijk bestaat en de beëindiging daarvan bevelen; daarbij kan het geldboeten en/of dwangsommen opleggen ;
  • de door de betrokken partijen aangeboden toezeggingen verbindend verklaren en vaststellen dat er niet langer gronden bestaan voor een optreden van de Belgische Mededingingsautoriteit. In dat geval spreekt het College zich niet uit over het al dan niet bestaan van een inbreuk en de toezeggingen impliceren geen nadelige erkenning van de betrokken onderneming;
  • vaststellen dat een beslissing van de auditeur of van het College niet werd nageleefd en in voorkomend geval bevelen dat de beslissing alsnog wordt nageleefd en een boete opleggen.

Geldboeten en dwangsommen

Het Mededingingscollege kan geldboeten en dwangsommen opleggen.

  • Voor inbreuken op artikel IV.1 WER kunnen ondernemingen geldboeten opgelegd krijgen die oplopen tot 10 % van hun wereldwijde omzet.
  • Indien ondernemingen de verbodsbepalingen of genomen beslissingen in het kader van het verzoek om voorlopige maatregelen niet naleven, kunnen zij dwangsommen opgelegd krijgen die tot 5% van hun gemiddelde dagelijkse wereldwijde omzet kunnen bedragen.
  • Natuurlijke personen kunnen geldboeten opgelegd krijgen van 100 tot 10.000 euro voor inbreuken op artikel IV.1, §4 WER.
  • Wanneer ondernemingen niet meewerken tijdens het onderzoek van een zaak of een sectoraal onderzoek, kunnen zij een geldboete oplopen die tot 1% van hun wereldwijde omzet bedraagt.
  • In het kader van een procedure van voorlopige maatregelen kunnen ook dwangsommen opgelegd worden.
  • Richtsnoeren betreffende de berekening van geldboeten

Beroep

De betrokken ondernemingen, de klager en de Minister evenals personen die een belang kunnen doen gelden (en die eveneens aan het Mededingingscollege gevraagd hebben te worden gehoord) kunnen een beroep instellen bij het Marktenhof tegen een beslissing van het Mededingingscollege binnen een termijn van 30 dagen na de kennisgeving van de aangevochten gemotiveerde beslissing. De betrokken ondernemingen kunnen evenwel geen beroep aantekenen tegen de schikkingsbeslissing van de auditeur.

In principe schorst het beroep de aangevochten beslissingen niet. Onder bepaalde voorwaarden kan het Marktenhof een beslissing van het Mededingingscollege echter geheel of gedeeltelijk schorsen.